11 november 2019

Koen (18/12/2005)


Een ochtend onheilspellend stil

Eenzaam in mijn
bed verlaten
De angst verlammend, akelig kil

In stilte lig ik, snik ik, bid
De engelen
ongenadig
Leven en dood in hun bezit

Het bed voelt koud, mijn wereld klein
Roerloos verbijt
ik de krampen
Onheil spreekt in snijdende pijn

Dan breekt er iets binnen, subtiel
Warm vocht verdrijft
het vleugje hoop
Dierlijk gehuil ontsnapt mijn ziel

Ik vang hem op, vanuit mijn schoot
Hij is een hij
zijn lijfje gaaf
Vier volle manen is hij groot